• Geen categorie

    Variaties op een Dame

     

     

    Eelko Schmeits kijkt Netflix
    The Queen’s Gambit

     

     

     

    De dame als wonderkind.

    Er zijn van die schaakpuristen voor wie het een sport is scènes in films en tv-series te spotten waarin nogal een loopje wordt genomen met de basisbeginselen van het schaakspel. Talrijk zijn de scenes met verkeerd gedraaide borden, stukken die volgens mysterieuze wetten bewegen, en het uitroepen van schaakmat terwijl men zelf schaak staat (Schaak! Schaakmat!). Als je er op gaat letten is dat tamelijk funest voor het in fictie zo noodzakelijke mechanisme van suspension of disbelief.

     

    Zelfs als de regels van het schaken worden nageleefd, dan nog is het getoonde spel vaak gespeend van enige waarschijnlijkheid. Volgens Hollywoodlogica eindigt iedere schaakpartij als vanzelfsprekend met een verpletterend schaakmat komende uit het niets, waarbij de winnaar een triomfantelijke grijns niet kan onderdrukken en de verliezer verbijsterd naar het bord kijkt na die ene briljante matzet die hij/zij natuurlijk nóóit had zien aankomen.

     

    Zelfs Ingmar Berman maakte fouten. Max von Sydow speelt met wit tegen Magere Hein in Het zevende zegel (1957). Wat klopt er niet in het plaatje?


    Natuurlijk zijn er ook films waarin het schaken serieus wordt genomen, het zijn dan ook films waarin het schaken én de schaker een belangrijke rol spelen. Tot dat lijstje behoren onder meer Searching for Bobby Fischer (1993) over het wonderkind Samuel Waitzkin, The Luzhin Defence (2000) naar de roman van Nabokov, en Pawn Sacrifice (2014) over Bobby Fischer, allen de moeite van het bekijken waard.

    Nu is er dan The Queen’s Gambit, een mini-serie te zien op Netflix, gebaseerd op de gelijknamige roman van Walter Tevis, gepubliceerd in 1983. The Queen’s Gambit is een onverwacht succes. In behoorlijk veel landen, verspreid over diverse continenten, is The Queen’s Gambit op dit moment van schrijven de best bekeken serie. Het succes heeft inmiddels zelfs al geleid tot een bescheiden schaakhype. De serie inspireert kijkers om schaken te leren, of voor mensen die het spelletje al een tijdje niet meer hadden gespeeld om het bord en de stukken toch weer eens af te stoffen. 

     

    Het schaakelement wordt in The Queen’s Gambit met zorg en kennis van zaken belicht. Niemand minder dan Garri Kasparov fungeerde als adviseur om ‘de ziel van het schaken’ recht te doen, zoals hij zelf zijn opdracht onder woorden bracht. Kasparov struinde door de schaakgeschiedenis om partijen te vinden die geschikt waren om te verweven in het narratief van The Queen’s Gambit. Soms bedacht hij zelfs fraaie fantasievariaties op bestaande partijen om recht te doen aan de beschrijvingen van Walter Tevis in de originele roman. Voor schaakhistorici is The Queen’s Gambit zodoende een feest der herkenning gezien de staalkaart aan bijzondere schaakjuweeltjes. Neem bijvoorbeeld de partij die hoofdpersonage Beth Harmon speelt tegen het personage Harry Beltik. Het is een partij die gekenmerkt wordt door een briljant stukoffer en die daadwerkelijk ooit gespeeld is. Model staat de partij tussen Rashid Nezhmetdinov en Genrikh Kasparian, gespeeld in 1955 in Riga, in de hoogtijdagen van de Sovjet-dominantie in het schaken. 

     

    Wit is aan zet. Wat is de winnende zet? Het juiste antwoord staat beneden dit artikel.

     

    Het raamwerk van The Queen’s Gambit is typisch die van een klassieke Bildungsroman. We volgen het lange en moeilijke pad van de fictieve Amerikaanse schaakster Beth Harmon op haar weg naar glorie. Van Rags to riches, van introvert weesmeisje tot een zelfverzekerde jonge vrouw. Of in schaaktermen, van solitaire pion tot (gepromoveerde) koningin. Het is zeker een wat clichématig stramien, maar het interessante is dat de kijker toch steeds weer op het verkeerde been wordt gebracht met de kleine variaties her en der, die het verhaal in een onverwachte richting stuwen, als een schaakpartij die na een boekopening plotseling in een obscure variant verzeild raakt, en uiteindelijk niet meer theoretisch is te noemen. 

     

    De eerste aflevering bijvoorbeeld zet een bepaalde toon voor de rest van de serie, duister, verstikkend, Dickensiaans met een vleugje gothic. Het is de eerste kennismaking met de jonge Beth in het weeshuis, overlevende van een auto-ongeluk waar haar alleenstaande moeder het leven liet. Korte flashbacks maken duidelijk dat het ongeluk geen ongeluk was, maar een wanhoopspoging van haar moeder om haar eigen leven te nemen, en tegelijkertijd dat van haar dochter. Wat haar moeder tot die wanhoopsdaad bracht blijft voor de rest van de serie in mist gehuld, maar duidelijk wordt dat de moeder kampte met psychische problemen. In het verhaal wordt verder niet gesproken over het gebeurde, zeker niet door Beth zelf, ze praat nauwelijks als jong meisje, louter staccato zinnetjes. Ze observeert haar omgeving, lijkt het te willen analyseren, maar kan en/of wil niet een ‘sociaal dier’ zijn. Ze blijft aldoor een buitenstaander, als een buitenaardse die op een vreemde planeet probeert te overleven. Ze doet dan soms ook denken aan het personage Thomas Jerome Newton uit de roman The Man who fell to Earth, ook geschreven door Walter Tevis.

     

    De verslaafde dame

     

    Stof genoeg voor een fatalistische tragedie, maar de verrassing is dat die verwachting niet wordt ingelost. En dat is knap gedaan. De Bildung van Beth is onlosmakelijk verbonden met haar wording als groots schaakster. In het schaken ervaart ze schoonheid. En het schaken geeft haar een veilig gevoel van controle. Het schaakbord met de 64 velden is haar eigen koninkrijk. In zekere zin is schaken een vorm van escapisme, maar het schaken brengt haar tegelijkertijd ‘onder de mensen’. Er ontstaat een zekere mate van kameraadschap met sommige van haar schakende opponenten (louter jongemannen, die ze allemaal weet te verslaan) en er zijn zelfs momenten van voorzichtige, maar ook wat ongemakkelijke romantiek. 

     

    Haar hang naar escapisme wordt bijna letterlijk gevoed door haar verslaving aan pillen en alcohol. Die verslaving begint al in het weeshuis. Het is een dagelijkse ritueel in het huis, het toedienen van kalmeringsmiddelen aan de weesjes, waarschijnlijk om ze rustig en dociel te houden, wat in werkelijkheid ook common practice was in weeshuizen in het Amerika van de jaren ’50 en ’60. Het doet een beetje denken aan de praktijken in One flew over the Cuckoo’s nest. De groene pillen in The Queen’s Gambit krijgen van de scenarioschrijvers het etiket mee van het fictieve geneesmiddel Xanzolam. Volgens een Newsweek-artikel waren die groene pillen vroeger daadwerkelijk verkrijgbaar onder de merknaam Librium (chloordiazepoxide). Het extreem verslavende Librium werd in de jaren ’60 massaal voorgeschreven voor het onderdrukken van (extreme) angsten en slapeloosheid, vooral bij (huis)vrouwen die met spanningen kampten in het vlotte moderne leven. 

     

    Voor Beth had het groene pilletje een bijzondere psychoactieve hallucinerende bijwerking; een bijna psychedelisch roes waarin ze schaakborden zag verschijnen op plafonds, en stukken puur door haar verbeeldingskracht heen en weer kon bewegen;  Bijna eindeloos manoeuvrerend in haar obsessieve staat, om zoek naar die ene schitterende variatie. Deze specifieke psychoactieve werking van de groene pillen is natuurlijk voor een gedeelte ontsproten uit de fantasie van Tevis en de schrijvers van The Queen’s Gambit, een handig visueel vehikel om de obsessieve creatieve werking van een ‘schaakbrein’ aanschouwelijk te maken. Want obsessief bezig zijn met schaken is vaak maniakaal en vereist bovendien buitengewone concentratie en creatief oplossingsvermogen. Een dergelijke staat van obsessie verhoogt natuurlijk het risico van zelfverwaarlozing en vervreemding van de realiteit van alledag.  The Queen’s Gambit laat mooi zien hoe de dun de draad is waarop Beth balanceert, en hoe ze uiteindelijk toch de veilige overkant weet te bereiken. 

     

     

     

    De dame in het bad

     

     

    Het antwoord op het schaakprobleem is Dxg6+! Dame slaat het paard op g6, schaak, en schaakmat is onvermijdelijk binnen zes zetten. 

     

  • Geen categorie

    De beste tweets van God I

    God
    @TheTweetOfGod (unverified)


    God@TheTweetOfGod
    ·14 dec. 2015
    I’m going to reduce My carbon footprint by destroying mankind.


    God@TheTweetOfGod
    ·11 jan. 2016
    David Bowie was the God I always wanted to be.


    God@TheTweetOfGod
    ·26 sep. 2017
    This is the alternate universe other universes warn their kids about.


    God@TheTweetOfGod
    ·9 jan. 2018
    No matter what happens, always remember: I could not care less.


    God@TheTweetOfGod
    ·21 jan. 2018
    At this point I’m just like, whatever.


    God@TheTweetOfGod
    ·1 mrt. 2018
    Happy 24th birthday to My beloved son @justinbieber. Hang in there, Justin! Only nine more years till crucifixion!


    God@TheTweetOfGod
    ·16 mrt. 2018
    New selfie!


    God@TheTweetOfGod
    ·27 mrt. 2018
    I had an #AppleEvent once and it ended very poorly.


    God@TheTweetOfGod
    ·12 mei 2018
    #Eurovision always makes Me feel like I made one continent too many


    God@TheTweetOfGod
    ·19 mei 2018
    I’m sick and tired of saving the Queen. #RoyalWedding


    God@TheTweetOfGod
    ·11 jul. 2018
    I’m not pro-life. In fact if you know My track record I’m far more pro-death.


    God@TheTweetOfGod
    ·27 dec. 2018
    Sometimes I watch you in the shower.


    God@TheTweetOfGod.25 dec. 2019
    If you believe Jesus was born tomorrow, you were born yesterday.

  • Literatuur

    De Sterfkamer van een schrijver

    Nu weet ik dan eindelijk wat mij tot deze kamer getrokken heeft. Het is mijn sterfkamer.
    Harry Mulisch, 1947



    Ulises Fontes

    Voor de moeilijk te classificeren Mexicaanse schrijver Ulises Fontes (1929-1981?) is het woord charlatan zo’n beetje uitgevonden, maar gevoel voor pathos kon hem nooit ontzegd worden. Hij had de gave om aan zijn mislukkingen een aureool van glorieus falen mee te geven. Een talent dat hij verfijnde in zijn latere jaren, culminerend in zijn enige voltooide boek, Mi Vida Fantasma (1981); Een frustrerende maar niettemin intrigerende experimentele autobiografie (postuum uitgegeven in 1987 door zijn zoon Dollar Fontes, later schatrijk geworden door ‘import en export’).

    Mi Vida Fantasma gaat voor bijna een kwart van de 728 hallucinante bladzijdes over zijn door diplomatieke incidenten geplaagde reis naar Argentinië in 1970. Of zoals hij het zelf noemde, een ‘heidense pelgrimstocht’. Wat Fontes precies uitspookte in Argentinië blijft schimmig gezien de hiaten in zijn verslag, maar duidelijk is wel dat hij de mysterieuze Kamer van Poe heeft bezocht, op een landgoed in Azul nabij Buenos Aires, waarmee hij de enige bezoeker is, voor zover bekend, die de kamer daadwerkelijk van binnen heeft gezien. En wat hij daar binnen zag, was dermate schokkend, grotesk en psychotisch van aard, dat hij bijna letterlijk ‘van de kaart’ was, want hij verdween van de aardbodem voor jaren aan een stuk.
    Fontes verscheen weer ten tonele in de herfst van 1979. In Tijuana, zijn geboorteplaats, waar hij als een kluizenaar leefde in een verduisterde kamer boven een dierenwinkel, om zich te wijden aan lyrische gedichten, allen opgedragen aan Johnny Weissmuller, alsmede aan merkwaardige opstellen over de architectuur van gevangenissen, en waar hij zo gezegd werkte aan Mi Vida Fantasma, tot hij voor het laatst zou verdwijnen in de winter van 1981.


    Fontes bezocht de Kamer van Poe op uitnodiging van de controversiële Argentijnse dichteres Edelmira Thompson de Mendiluce (1894-1993), met wie Fontes jarenlang in dichtvorm correspondeerde. Het werk van Thompson de Mendiluce zou in het pantheon der vergetelheid zijn bijgezet, ware het niet dat de Chileense schrijver Roberto Bolaño (1953-2003) een hoofdstuk voor haar reserveerde in het encyclopedische Naziliteratuur in de Amerika’s (1996), een who’s who van excentrieke dwepers met het nationaal-socialisme en andere crypto-fascisten in de Zuid-Amerikaanse literatuur.

    Mendiluce ontmoette Hitler in 1929 gedurende haar verblijf in Europa, een hartelijke ontmoeting tussen twee verwante geesten zo bleek. Ze bleef een trouwe hitlerite voor de rest van haar leven; Niet verrassend dan ook dat ze altijd een buitenbeentje bleef in het Argentijnse literaire wereldje. Maar ze had een kleine kring van bewonderaars. Zoals Fontes, ook al las hij haar geschriften pas toen haar hoogtijdagen al lang voorbij waren. Zijn favoriete werk van haar hand: De Kamer van Poe (1944), een publicatie die volgens Bolaño vooruitliep op de nouveau roman en van invloed was op latere avant-gardestromingen.

    Met De Kamer van Poe verenigde Mendiluce twee van haar grote interesses, interieurontwerp en het werk van Edgar Allan Poe. In De Kamer van Poe documenteert ze nauwgezet de bouw van de door Poe geïnspireerde kamer in de tuin van haar haciënda. De directe inspiratie is het essay dat Poe schreef over wat men ‘de ideale kamer’ zou kunnen noemen, Philosophy of Furniture (gepubliceerd in 1840). Poe betoogde dat alleen de Engelsen gevoel hadden voor proportie, stijl en inrichting. Amerikanen waren praalzuchtige prutsers and The Dutch have, perhaps, an indeterminate idea that a curtain is not a cabbage.



    ‘Hotelversie’ van de Kamer van Poe


    Vervolgens verblijdt Poe de lezer met het tot in detail beschrijven van de ideale kamer (ideaal leesmateriaal mocht je verdwaald raken in de Hornbach). Zo leren we dat het tapijt de ziel van de kamer is. The Dude zei het ook al: It ties the room together. Niets blijft onbesproken: de afmetingen van de kamer, het subtiele licht (Poe haatte ‘glitter’), de hoeveelheid ramen en deuren, welke gordijnen te kiezen en in welke kleur en van welke verfijnde stof, waar een tafeltje te plaatsen, waar een sofa, en waar een vaas en waar niet, welke schilderijen te kiezen en in welk formaat, enzovoort.

    Maar, maar… vergeten we niet over de geest in de Kamer van Poe…


    “Toen ik voor het eerst een glimp opving van de ranch, het moment waar ik zo lang naar toe had geleefd, bekroop mij een gevoel van een beklemmende zwaarmoedigheid”.
    (Ulises Fontes)


    Want de Kamer van Poe, een ideaalbeeld voor de meester van mysterie en fantasie, was niets minder dan een portaal tot een levende nachtmerrie voor de mislukkingskunstenaar Ulises Fontes. Van de wiegkamer tot aan een martelkelder in Buenos Aires, demonen achtervolgden Fontes overal waar hij heen ging. Demonen die steeds andere gedaantes aannamen; Een blinde vader, een wrede priester, een wraakzuchtige minnaar, een psychopathische belastinginspecteur. Hij was altijd op de vlucht. In de Kamer van Poe verwachtte hij een catharsis te ervaren. En dat kreeg hij. In de laatste alinea van Mi Vida Fantasma onthult Fontes het tafereel dat hij aanschouwde toen hij de Kamer van Poe betrad, het was niet de bejaarde Argentijnse dichteres die daar breed grijnzend op de sofa lag, nee, het was een onmenselijk wezen. Een orang-oetan.


  • Muzak

    Favoriete Platenlabels





    Vertigo







    Virgin



    Elektra






    Charisma



    RCA






    Atlantic






    Island



    Apple






    I.R.S.



    Deram




    Decca


    Chess



    Het luisteren naar onderstaande liedjes is enkel en alleen bedoeld voor zinloze doeleinden.

  • Literatuur

    De wereld van Nul-A




    Eelko Schmeits leest de toekomst
    De wereld van Nul-A, A.E. van Vogt




    Het negatieve oordeel is het toppunt van denken (uit De Wereld van Nul-A)


    Sombert u wel eens over de semantische verwarring in de hedendaagse woordenstrijd over de atomisering van onze samenleving? Krijgt u paniekaanvallen van Houellebecq? Voelt u zich ontheemd in deze kille tijd van nullen en enen? Dan kan ik u informeren dat het allemaal de schuld is van die oude Griekse wijsneus Aristoteles!

    Althans dat kunnen wij opmaken uit het boek De wereld van Nul-A van de Canadese SF-schrijver A.E. van Vogt (1912-2000), oorspronkelijk gepubliceerd als een feuilleton in het magazine Astounding Science Fiction in de loop van 1945.

    In de toekomst weet men natuurlijk alles beter. In de 26ste eeuw na Christus, oftewel de zevende eeuw na Korzybski, anders wel de 30ste eeuw na A, floreert de leer van Nul-A. Overigens moet men in die verre toekomst ook niets hebben van Euclides (Nul-E) en Newton (Nul-N). Men is er na al die eeuwen achter gekomen dat ratio en logica, machtsmisbruik en oorlog in de hand werken, dus weg ermee! In de toekomst kan het menselijk brein getraind worden om dergelijke bekrompen abstracties te overstijgen. Het brein wordt gestimuleerd haar volledige potentieel te benutten, een ‘geïntegreerd’ brein zoals dat heet in het boek.

    De grondlegger van het Nul-A denken is de 20ste-eeuwse linguïst Alfred Korzybski (1897-1950); Heden ten dage rolt zijn naam niet meer vaak en rap van de tong, maar in de toekomst wordt hij vereerd als een halfgod. Talrijke straten, pleinen en gebouwen op de planeet Aarde zijn naar hem vernoemd. Hoe het kan lopen. De inspiratie voor de oprichting van het het belangrijkste orgaan op Aarde, het Semantisch Instituut, is het Institute of General Semantics in Chicago, gesticht door Korzybski in 1938. Dit instituut bestaat nog steeds.


    Alfred Habdank Skarbek Korzybski

    Wellicht heeft nog nimmer een enkel individu zoveel mensen beïnvloedt en bedorven als de begaafde … Aristoteles … Voor ons begon de tragedie, toen de ‘cohesieve’ bioloog Aristoteles de overhand kreeg over de ‘expansieve’ wiskundige en filosoof Plato, en al zijn oergelijkstellingen en voorspellingsstelsels formuleerde … en onderbracht in een systeem dat ons alleen tot last was, maar dat we meer dan tweeduizend jaar lang niet mochten herzien, op straffe van vervolging … En hierom wordt zijn naam gebruikt voor de tweewaardige doctrines van het Aristotelisme en wordt, in tegenstelling daarmee, aan de polyvalente realiteit van de moderne wetenschap de naam non-Aristotelisme gegeven


    Korzybski over Aristoteles (aldus geciteerd in de Wereld van Nul-A)

    Het Aristotelisme gaat volgens Korzybski dus voorbij aan de polyvalente realiteit (van de moderne wetenschap). Volgens zijn analyse kan de mens de echte werkelijkheid niet kennen, enerzijds door beperkingen van het zenuwstelsel, anderzijds door de beknellende banden van formuleringen en abstracties. Taal is uiteindelijk niet toereikend om de ware werkelijkheid te registreren. Het werkt juist averechts. Met zijn bekendste uitspraak ‘De landkaart is niet het gebied” probeerde hij dat zelf – O, ironie! -onder woorden te brengen.

    Korzbyski suggereert dat er meer is dan we al weten, of denken te weten. Verborgen informatie. En dat facet van het non-Aristotelisme spreekt een fantasierijke schrijver als Van Vogt natuurlijk enorm aan. Het is een grenzeloze ruimte waar rationele aannames niet gelden, het Wilde Westen voor een SF-schrijver, een goudmijn.

    Waar Korzbyski trachtte een nieuwe vorm van semantiek te ontwikkelen binnen het (pseudo)wetenschappelijke domein, ging Van Vogt nog een stap verder door aan het Nul-A theorema een plastische en psychosomatische dimensie te geven. Het doet denken aan de Dianetica (of Dianetics) van collega SF-auteur L. Ron Hubbard, die een pseudowetenschappelijke methode had uitgedacht om alle lichamelijke en mentale klachten te kunnen uitzuiveren. Het zuiveren van schadelijke informatie in ons onderbewustzijn. Het is dan ook niet vreemd dat van Vogt begin jaren’50 een apostel zou worden van de Dianetica-beweging in de Verenigde Staten. Uiteindelijk zou Van Vogt de vloot van Hubbard verlaten toen de beweging een religieuze koers ging varen, de koers van scientology.

    A.E. van Vogt

    Maar terug naar de Wereld van Nul-A. De lezer krijgt een impressie van die vreemde wereld als hij voortdurend mag meekijken over de schouder van hoofdpersoon Gilbert Gosseyn (Go sane). Gosseijn is aangekomen in de Machinestad om deel te nemen aan de Nul-A Spelen. Feitelijk een wekenlang examen in het Nul-A denken afgenomen door een alwetende supercomputer, gehuisd in een gigantische stalen machine. Wie weet te slagen voor het examen heeft het privilege naar Venus te mogen afreizen, om opgenomen te mogen worden in een utopische kolonie, een paradijs voor de elite van Nul-A.

    Het gaat echter gelijk mis in het eerste bedrijf. Gosseijn wordt verraden door een andere deelnemer aan de Spelen. ‘Gosseijn’ blijkt een valse identiteit. De desillusie wordt alleen maar groter als Gosseijn er achter komt dat zijn herinneringen inderdaad vals zijn. Wie ben ik? Deze existentiële vraag is de motor van het verhaal. Niet dat hij veel tijd heeft om daar over te peinzen, want na zijn ontmaskering wordt er voortdurend jacht op hem gemaakt door sinistere personen met ogenschijnlijk kwade bedoelingen maar vooralsnog schimmige drijfveren.

    Hij wordt achtervolgd, ontvoerd, vergiftigd, gemarteld – allemaal geen kattepis – en weet ternauwernood te ontsnappen, om vervolgens door talloze kogels doorzeefd te worden. Hij is morsdood. En daar houdt het verhaal op…. Nee, hij wordt ‘wakker’ op… Venus! En dan begint het pas echt bizar te worden.

    Vanaf dan worden de contouren van het grotere verhaal langzaam maar zeker steeds meer zichtbaar. Gosseijn blijkt een willoos en zeer bruikbaar pion te zijn in een machtsstrijd van galactische proporties, met de toekomst van de Wereld van Nul-A als inzet. Een alliantie van kille rationalisten is er alles aan gelegen die wereld te vernietigen, en terloops ook miljoenen mensen op de aarde en Venus te doden. Dat laatste lukt overigens aardig, aldus de summiere berichten daarover.

    Gosseijn is dan wel een pion, maar wel een heel belangrijke pion. Hij blijkt over zeer exceptionele Nul-A kwaliteiten te beschikken. Na zijn wedergeboorte in een nieuw lichaam (Gosseijn II) is hij alleen maar sterker geworden. Langzaam aan leert hij zijn nieuwe superkrachten kennen. Hij leert zijn extra-brein te stimuleren en in te zetten als paranormaal wapen. Een ouderwets type superheld is geboren.

    Blijft de vraag, wie is Gilbert Gosseijn werkelijk? De plot drijft Gosseijn naar het antwoord dat in de slotzin wordt onthuld. Een verrassend effectief einde dat ik zelf niet zag aankomen. Het verklaart sommige onduidelijkheden in het verhaal (maar niet alle). De zoektocht naar zichzelf blijkt zo letterlijk als mogelijk, een zoektocht naar zichzelf.


    De Wereld van Nul-A is niet het meest verfijnde en elegant geschreven boek. To put it mildly. De plotselinge schaalovergangen zijn desoriënterend. Zitten personages elkaar langdurig bij te praten in claustrofobische kamers, vliegen ze vervolgens heen en weer naar Venus, in een vloek en een zucht. En dan uit het niets ook nog een uitstapje naar ‘de planeet van de beesten’. Vraag me niet tot welk sterrenstelsel deze planeet behoort.

    In de subcultuur van de SF riep De Wereld van Nul-A gemengde reacties op. SF-mandarijn van de hoogste orde Damon Knight brak het boek in zijn kritisch analyse tot de grond toe af. Een kritiek die de reputatie van A.E. van Vogt als gerespecteerd SF-schrijver lange tijd zou schaden.


    The World of A is one of the worst allegedly-adult science fiction stories ever published.

    Dient gezegd dat Knight sowieso geen hoge pet op had van van Vogt als schrijver:

    In general van Vogt seems to me to fail consistently as a writer in these elementary ways: 1. His plots do not bear examination. 2. His choice of words and his sentence-structure are fumbling and insensitive. 3. He is unable either to visualize a scene or to make a character seem real.


    Philip K. Dick, tegendraads als niemand anders, was echter een geheel andere mening toegedaan:

    I started reading sf when I was about twelve and I read all I could, so any author who was writing about that time, I read. But there’s no doubt who got me off originally and that was A.E. van Vogt. There was in van Vogt’s writing a mysterious quality, and this was especially true in The World of Null-A. All the parts of that book did not add up; all the ingredients did not make a coherency. Now some people are put off by that. They think that’s sloppy and wrong, but the thing that fascinated me so much was that this resembled reality more than anybody else’s writing inside or outside science fiction.


    Volgen we de literaire conventies, zoals wordt onderwezen op te dure schrijfcursussen, dan is De Wereld van Nul-A inderdaad een boek met ‘problemen’. Een krankjorum plot met de nodige contradicties, een stroeve vertelstijl, weinig gevoel voor de finesses van menselijke interacties. Maar dan hebben we het alleen over mooi schrijven. Een goed geschreven boek is niet noodzakelijkerwijs een memorabel boek. Lezen is ook een ervaring. Beklijft het? Laat het een blijvende indruk achter? Komt het terug in jouw gedachten, en je weet niet waarom? De Wereld van Nul-A liet een beklemmende indruk bij mij achter. Het best getroffen vond ik de nachtmerrieachtige paranoïde sfeer, zij het voornamelijk in de eerste hoofdstukken. Een nachtmerrie – hoe irrationeel ook -kan soms heel realistisch aanvoelen.



  • Literatuur,  Schaken

    De illusie van een gesloten verdediging

    Eelko Schmeits leest achterstevoren

        De verdediging, Vladimir Nabokov

    Curt von Bardeleben


    Het verhaal gaat dat de excentrieke Duitse schaker Curt von Bardeleben in 1924 zichzelf van het leven beroofde door uit een raam van een Berlijns appartement te springen. Het tragische einde van von Bardeleben zal de destijds in Berlijn in ballingschap levende schrijver en schaakliefhebber Vladimir Nabokov ongetwijfeld ter ore zijn gekomen. In 1930 verscheen, onder zijn nom de plume V. Sirin, de roman De verdediging (Zasjtsjita Luzjina) waarin een wereldvreemde grootmeester in het schaken, genaamd Luzjin, een fataal Von Bardelebentje pleegt. Behalve het vallen uit ramen, vallen Luzhin en von Bardeleben ook ten prooi aan het trauma van een vernietigende zenuwslopende nederlaag, met littekens in de tere schaakgeest als blijvende herinneringen.

    Von Bardeleben gold als een van de beste grootmeesters van het Duitse Keizerrijk.  Toch wordt hij niet in eerste instantie als een grootheid herinnerd. De herinnering aan von Bardeleben is altijd verbonden met een van de onsterfelijke partijen in de schaakgeschiedenis, een onsterfelijke nederlaag voor von Bardeleben. Deze partij staat bekend als “The Battle of Hastings”. De locatie was Hastings, het jaar was 1895, en de tegenstander was Wilhelm Steinitz. Een woeste witte toren walste zich een weg door de verdedigingslinie van het zwarte kamp. Von Bardeleben, de speler met de zwarte stukken, zag dat de aanval van wit niet meer te stoppen was. Legendarisch is vervolgens het weglopen van von Bardeleben uit de zaal op het moment surprême van de partij. Volgens Tim Krabbé deed Von Bardeleben dit uit protest tegen het rumoerige applaus voor de andere winnaars in de zaal (Een Fischer walkout avant la lettre), dit in tegenstelling tot de notie dat von Bardeleben de aanstaande nederlaag niet kon verkroppen. Hoe dan ook, von Bardeleben verloor op tijd. De rest van het toernooi was voor von Bardeleben een lijdensweg.

    Wederom Krabbé in 2004 over von Bardeleben: “De Berlijner Kurt Von Bardeleben (1861-1924), jurist maar vooral schaker en schaakschrijver, wordt beschreven als breekbaar, teruggetrokken, gevoelig, en ongezond; te zacht voor het harde toernooileven. Hij pleegde zelfmoord door uit een raam te springen. Maar behalve door zijn onsterfelijke verliespartij leeft hij juist daardoor voort; Nabokov schonk die sprong aan zijn grootmeester Luzhin, de treurige held van zijn roman De Verdediging.”

    In De verdediging wordt een monsterlijke partij in een kandidatenmatch Luzjin ook te machtig. De partij tegen zijn grote rivaal Turati wordt weliswaar afgebroken, maar grote ontreddering en verwarring treft Luzjin; De partij en de match wordt nooit meer voortgezet. Een zenuwinzinking volgt en als het weer iets beter met hem lijkt te gaan, begint Luzjin overal om hem heen, en dwars door de tijd, patronen, herhalingen en variaties te zien zoals in een zeer gecompliceerde en verheven vorm van blindschaak. Het is een strijd die hij nooit kan winnen, maar die ook nog eens nooit lijkt op te houden. Zijn uitgekiende metafysische ‘verdediging’ wordt systematisch ontrafeld door zijn onzichtbare tegenstander; Deze kwelduivel van een hogere denkorde eist het hoofd van Luzjin, met ‘zelf-mat’ (zoals Nabokov de zelfmoord in zijn latere voorwoord voor De verdediging omschreef) als de laatste onvermijdelijke zet volgens de bizarre logica in het hoofd van Luzjin .

    Fragment uit De Verdediging (pagina 137, uitgave De Bezige Bij, 1967) over de finale momenten van de afgebroken partij tegen Turati:

    “Luzjin bereidde een aanval voor, maar moest eerst een doolhof van varianten verkennen, waarin elk van zijn stappen een gevaarlijk echo wekte, en begon langdurig te peinzen: het leek alsof hij zich nog één laatste, kolossale inspanning moest getroosten – dan zou hij de geheime zet vinden die leidde naar de overwinning. Plotseling gebeurde er iets buiten zijn wezen, een verzengende pijn – hij stootte een luide kreet uit, schudde zijn hand die hij had gebrand aan de vlam van een lucifer, aangestoken en vergeten tegen zijn sigaret te houden. De pijn verdween direct, maar in de gloeiende gaping had hij iets ondraaglijks verschrikkelijks gezien, de afgrijselijke, onpeilbare afgronden van het schaken.”


    Nabokov schrijft over mensen als ware ze schaakstukken. Zo is mevrouw Luzjin een belangrijke tot dame gepromoveerde pion. Onduidelijk blijft echter van welke kleur ze is. In al haar moederlijke toewijding om Luzjin te bewegen tot activiteiten buiten de in haar ogen ongezonde praktijk van het schaken, bespoedigt ze, zonder het zelf door te hebben, zijn ondergang. Luzjin wordt een clandestiene schaker in zijn eigen hoofd, de enige plek waar hij zich nog kan bergen om na te denken over de volgende zet, terwijl mevrouw Luzjin vergeefs probeert een conversatie op gang te brengen over politieke aangelegenheden, in de waan dat hij zich er voor zou interesseren. Luzjin senior, de vader, is een schaakstuk dat al in de opening wordt geofferd. Een stuk die in de weg staat van de ontwikkeling, en met sardonisch genoegen door Nabokov beschreven, een stuk dat van zichzelf denkt een raadsheer te zijn, maar in werkelijkheid een pion is geblokkeerd door een ander stuk (zijn zoon). En dan is er nog de grootmeester Turati, de toren. De stormram die door de ommuurde verdedigingslinie van Luzjin breekt. De naam Turati moet wel een nabokoviaanse samenstelling zijn. ‘Tura’ uit het Roemeens, of het Franse ‘tour’, betekent ‘toren’, in combinatie met de naam van de beroemde Italiaanse grootmeester Ricard Réti. Tura + Reti = Turati. Een plausibele theorie, want Turati wordt in De verdediging omschreven als een gedurfd schaker die graag vanaf de flanken de aanval op het centrum inzet. Laat het nu zo zijn dat Réti een beproefde opening op zijn naam heeft staan die tot de flankspelen wordt gerekend!

    De compositie van De verdediging heeft wel iets weg van een schaakpartij. Het begint met een gesloten beklemmende tsaristische opening. Onverwachte wendingen leidden tot een Italiaans middenspel. De horizon wordt breder. Nieuwe perspectieven doemen op. Liefde. Maar ook toenemende complicaties. Twijfels die leidden tot wanhoop. Het Berlijnse eindspel dat volgt is er een met een in het nauw gedreven paard, dat natuurlijk gekke sprongen maakt. Het eindigt dus met zelf-mat.

    Het paard in het eindspel is vanzelfsprekend Luzjin. Maar zijn rol blijft ongrijpbaar. Hij is als een verdwaald schaakstuk. Per ongeluk beland op een ander schaakbord.  Nabokov koos de naam Luzjin voor zijn hoofdpersonage, omdat Luzjin rijmt op het Engelse illusion, oftewel illusie. In veel van zijn eigenaardigheden doet Luzjin denken aan een joker, een kaart die in het schaakspel niet kan worden uitgespeeld. Luzjin is in een wezen een komisch figuur. Hij stuntelt en blundert zich weg door het leven, en eigenaardig, hij blijft toch redelijk op de been. Voor iemand die niet eens het adres van zijn eigen woning in Berlijn weet, redt hij zich toch nog aardig. Maar dat is niet iets waarvan Luzjin zichzelf bewust is. En daarin schuilt de tragikomische kant van Luzjin. Bijna geen besef van zichzelf en een illusionair beeld van de werkelijkheid om heen. Dat het leven een worsteling is, dringt enigszins door tot Luzjin, maar hij kan het alleen begrijpen door het te vertalen in de taal van het schaken.

    Schets voor een schaakprobleem van de hand van Vladimir Nabokov


    Taalmeester Nabokov beheerste de taal van het schaken als geen ander. Zo componeerde hij tal van ingenieuze schaakproblemen. Een idee voor een specifiek soort schaakprobleem verwerkte hij in De verdediging. Nabokov omschreef het probleem als een ‘omgekeerde analyse’, waarbij de oplosser gevraagd wordt te bewijzen, aan de hand van een bestudering van een stelling, dat zwart’s laatste zet niet een rokade kan zijn geweest, of wel het en passant slaan van een witte pion. Precies het soort duizelingwekkende probleem waarin Luzjin zich zou kunnen verliezen. Geen wonder dat schakers uit ramen springen. Schaken is inderdaad een ongezonde bezigheid.

  • David Bowie

    De geheimzinnige ster

    Blackstar – David Bowie. Een recensie.

    Looking for the real David is like trying to find Harry Lime, the elusive character in Graham Greene’s  ‘The Third Man’. 
    (Ray Davies, 2015)

    Met Blackstar heeft Citizen Bowie op het nippertje nog zijn rosebud aan ons nagelaten. Je zou denken dat Bowie in de leer is geweest bij Orson Welles. Beiden waren mecaniciens van mythe en mysterie. Waar staat rosebud voor? Wat betekent Blackstar? Is Bowie’s zwanenzang een kunstwerk van een aangekondigde dood zoals Robert van Gijssel in de Volkskrant schrijft? Of is het allemaal much ado about nothing.

    Niets is wat het lijkt. De filosoof Simon Critchley heeft een heel boek volgeschreven over de betekenissenwereld van David Bowie. Het viel Critchley op dat het woord ‘nothing’ veelvuldig en prominent voorkomt in het repertoire van Bowie. Denk aan: We’re Nothing and Nothing will help us (Heroes). Uit het niets komt het Bowie-universum voort. Bowie’s Big Bang. Is dit echter allesverklarend, en wat is dan dat ‘niets’? Betekent ‘niets’ iets? Als je aan boord gaat van de Bowie boot, kom je al snel in het vaarwater der solipsisme.

    Het valt niet te ontkennen dat het album Blackstar elementen bevat van een driehoeksverhouding tussen leven, dood en kunst. Er is geen Freud nodig om tekstregels als Look up here, I’m Heaven / I’ve got scars that can’t be seen / I’ve got drama, can’t be stolen / Everybody knows me know (Lazarus) te duiden. Hier zingt Bowie over zichzelf, wetende dat hij zal sterven aan kanker, wetende dat ‘wij’ er uiteindelijk achter zullen komen. En zo zijn er nog een aantal overtuigende bewijsstukken aan te voeren, dat Blackstar een kunstig vormgegeven logboek is van een stervende kunstenaar.


    Toch zijn hier ook kanttekeningen bij te plaatsen. Het nummer Lazarus, voor een gedeelte autobiografisch (en alleen achteraf gezien!), was in eerste instantie geschreven voor de musical Lazarus, waarin de lotgevallen van het personage Thomas Jerome Newton na de gebeurtenissen in The Man who fell to Earth, centraal staan. David Bowie speelde Newton in de film The Man who Fell to Earth, al zover terug als 1976. Het personage Newton uit de oorspronkelijke roman van Walter Tevis is nog ouder. Het boek verscheen in 1963. Waarmee ik wil aangegeven dat het personage van Newton een eigen geschiedenis heeft. Het is bekend dat Bowie moeiteloos de rol van Newton wist te vertolken ten tijde van de filmversie. Hij speelde gewoon zichzelf, liet hij zich eens ontvallen. Maar het gaat te ver te stellen dat Newton Bowie is. Te stellen dat Newton het enige geesteskind van Bowie is, klopt ook niet.

    Het album Blackstar is overduidelijk wel het geesteskind van Bowie. Het is vol van betekenis, maar is ook vervuld van schijnbetekenis. Everybody knows me now.  Het paradoxale is dat het tegenovergestelde misschien nog meer waarheid bevat. En dat maakt Bowie zo fascinerend. En de muziek – vergeet de muziek niet! – is betoverend op Blackstar. Het titelnummer Blackstar waarmee het album opent is als een opiumroes. Het is hypnotiserend in het begin. Halverwege lijkt de mist te klaren. Maar dit blijkt dan ook weer een verradelijk visioen, als de dromerigheid verdampt, en we terugkeren naar nachtmerrieland. ‘Tis a pity she was a whore is vervolgens heerlijk bonkers, zoals ze dat in Engeland zouden zeggen. Bowie bezingt zijn innerlijke Jean Genet. Hij zingt als een aan lager wal geraakte Bryan Ferry. De muzikale begeleiding klinkt als het huisorkest van The Muppets, die een muzikale homage brengen aan het Sun Ra Arkestra.  Kant A besluit met Lazarus. Het begint en eindigt met een gitaarlijn die sterk doet denken aan The Cure circa Disintegration. De sfeer is gedragen en beklemmend, met even enkele lichtstralen in de duisternis.


    Kant B opent met Sue (or in a Season of Crime). Het is een nieuwe versie van de single die Bowie al uitbracht in 2014. De oorspronkelijke versie, opgenomen met de New Yorkse big band van Maria Schneider, kenmerkte zich door een jazzy film noir-sfeer. Hardgekookt drama in de traditie van Amerikaanse crime writers als Jim Thompson en James M. Cain. De nieuwe versie is koortsachtiger. Het klinkt alsof een zenuwinzinking nabij is. Tegelijkertijd is het vreemd opzwepend. Girl loves me is real horrorshow, my brothers. Cryptofoon en gelardeerd met het vocabulaire van zowel Nadsat als Polari. Het praatzingen van Bowie is fantabulosa. Dollar Days behoort tot het beste van Bowie’s balladerie. Het is in meerdere opzichten een ontroerend en bevlogen afscheidslied. De pijn wordt niet verbloemd. Het lied is zeer melodieus met verrukkelijk saxofoonspel van Donny McCaslin. If I’ll never see the English Evergreens I’m running to / It’s nothing to me / It’s nothing to see. Het laat mij niet onberoerd. De afsluiter I can’t give everything away klinkt aanvankelijk lichtelijk teleurstellend. Het is te waterig. Maar als Bowie zo meeslepend blijft zingen dat hij niet alles kan weggeven, smelt het hart dan toch. Het eindigt met wederom mooi saxwerk, en een miniatuur van een melancholiek gekleurde gitaarsolo, herinnerend aan Robert Fripp, ooit in de Berlijnse dagen ‘partner in crime’ van Bowie.

    Bowie schreef in 1993 een essay, voetnoot bij de de cd The Buddha of Suburbia, waarin hij het volgende opmerkte over zijn muzikale ambitie: “My own personal ambition is to create a music form that captures a mixture of sadness and grandeur on the one hand, expectancy and the organization of chaos on the other. A music that relinquishes its hold upon the 20th century, yet searches-out that which was stimulating  and productive  as a basis from which to work in the 21st century.”

    Het album Blackstar is het testament van die ambitie. Het testament van The prettiest Star, de geheimzinnige ster.

    Etoile Mysterieuse, Herge

  • David Bowie

    David Bowie’s Fantastic Voyage

    My brain hurts like a warehouse, it has no room to spare
    I had to cram so many things to store everything in there
    (Five Years, David Bowie)


    Where the fuck did Monday go? Blue Monday is dit jaar een week te vroeg gekomen. Blue, Blue, Electric Blue, That’ s the color of my room where I will live. Buiten is het druilerig grijs. Vintage 1947 Brixton. Niemand verkoos rode schoenen te dragen vandaag. Niemand haast zich om op tijd in de kerk te zijn. Het is eigenlijk een gewone dag. Of is het een façade? Te bedenken dat op hetzelfde moment over de hele wereld kinderen kamelenpoep smeren over muren. Dezelfde muren waartegen steeds weer dezelfde auto’s botsen.  De ondoordringbare muren van een krankzinnigengesticht opgetrokken uit glas. Waar vlooien, zo groot als ratten, zich te goed doen aan dode ratten, zo groot als katten. Hunger City opent vandaag de poorten. Al is het maar voor een dag. Geloof me, Hunger City bestaat echt. Je moet het alleen weten te vinden. Zet je TomTom (Ground Control to Major Tom) aan als je bent aangekomen in de periferie van Suffragette City.

    David Bowie is dood. Zijn bijl heeft het ijs eindelijk verbrijzeld. Hij was mijn onaanraakbare kamergenoot voor wat een eeuwigheid leek. Never a dull moment wanneer hij er was. Hij ging wel een beetje te ver toen hij zijn eigen urine stalde in onze koelkast. Maar goed, dat is nu allemaal water onder de brug. Dat krijg je als je Britse excentriciteit in huis haalt.
    Hij was heel goed in het vertellen van de meest fantastische bizarre verhalen. Soms ontroerend. Soms macaber. Vaak onsamenhangend. Dat deed hij volgens mij met opzet. Ook vaak cryptisch. En geestig, kinderlijk soms, maar vooral memorabel, en geniaal. Someone like you shouldn’t be allowed to start any fires. Zulke dingen zei hij dan. Alleen HIJ kon zoiets bedenken. Ik weet niet waarom, maar ik vond het heel geestig als hij met zoiets – out of the blue- op de proppen kwam.

    David Bowie en Nicolas Roeg

    Trachten de Bowie-code te kraken is een recept voor waanzin. Zijn universum is gekmakend fragmentarisch. Het is beter te ervaren, dan te weten. Knowledge comes with death’s release. Het is de kunst niet te diep te zinken in het drijfzand van vicieuze gedachten. Dat was waar Bowie voor vreesde. Gekte of de angst krankzinnig te worden is een constante in zijn discours. Arnon Grunberg raakt een snaar als in hij zijn Voetnoot over Bowie uitkomt bij de angst voor controleverlies, het hield Bowie lange tijd gevangen. No control / I can’t believe I have no control / It’s all deranged!
    Het gekke was dat Bowie aan de andere kant juist opleefde als hij de controle liet varen. Voor hem was de non-methode de beste methode. Vakbroeder en vriend Brian Eno zei dit over het wezen van kunst: In art you can crash a plane, and walk away from it.  Bowie is schuldig aan een aantal schitterende ongelukken vanuit deze zienswijze. Neem bijvoorbeeld de verbijsterend mooie ontregelende pianosolo van Mike Garson halverwege het titelnummer van Aladdin Sane.  Bowie gaf Garson de vrije hand. Maak het destructief. Het zijn dergelijke artistieke keuzes die de hand van een meester doen verraden.

    David Bowie was een moedige Apollo. Nimmer de derde man van rechts. Bowie was een meesterdief. Hij was niet mainstream. Een buitenstaander. Een onderschatte saxofonist. David Bowie was buitenaards mooi. Hij had een mooi slecht gebit. Hij had bijzondere ogen. Hij had The Look. Hij was het toonbeeld van ‘Cool’. Hij heeft veel gerookt. Gitanes was zijn merk. En dan was er nog de Angel Dust. Bowie had vliegangst. Hield niet van thee. David Bowie was verlegen. Hij las graag en veel. Hij had goede smaak. Hij was lyrisch over Scott Walker en Little Richard. Hij bracht intellect in de heidense wereld van de Rock ‘n Roll. Hij was de 20e én de 21e eeuw. Hij verzon taal. Wat hij ook droeg, hij zag er altijd gorgeous uit. Hij hielp zijn vriend Iggy Pop er weer bovenop. Hij was een goed acteur. En een getalenteerde leugenaar. Intuïtie was zijn tweede natuur. Hij was linkshandig. En een ambidexter. Hij was een fabricatie. Hij was fascinerend. Hij was vreemd. Hij was ontwapenend. Hij was afstandelijk. Charmant en altijd een gentleman. Hij was David Bowie. En nu is hij een Blackstar.

    ZANE ZANE ZANE, OUVRE LE CHIEN

    Bye, bye, I love you David